Nieuws  
De Standaard: De hele wereld op wieltjes

Je kunt een vliegtuig nemen vanuit de hoofdstad Gaborone naar Francistown, de tweede stad van het weinig bevolkte Botswana (in oppervlakte zo groot als Frankrijk, voor slechts 1,9 miljoen inwoners). Maar je kunt het traject (zo’n 420 km) ook afleggen met een Afrikaanse lange-afstandsbus. Rondreizen met het openbaar vervoer is in heel wat Afrikaanse landen een avontuurlijke onderneming, waarbij je doorgaans wel weet hoe laat je vertrekt, maar allerminst zeker bent over het uur van aankomst, laat staan de toestand waarin je op je bestemming arriveert.
Is Botswana, dat toonbeeld van goed bestuur, politieke stabiliteit, en socio-economische ontwikkeling, daarin een uitzondering? Of is reizen met het openbaar vervoer hier niet anders dan in de rest van Afrika?
De bus die ’s ochtends, rond negenen, vanuit Gaborone richting Francistown vertrekt, is een hele wereld op zich. Een wereld die bruist van de activiteit, en zich toevallig ook nog op wieltjes voortbeweegt. Geduld is hierbij een niet te versmaden deugd - aan wie ik ook vraag hoe lang de reistijd zal bedragen, het antwoord luidt unisono: ‘We zullen tussen vier en zes uur rijden.’ Daarbij heeft iedereen zich bij voorbaat neergelegd.
Die ruime marge slaat alvast niet op de toestand van het wegdek in Botswana, de verbindingswegen tussen de grote steden liggen er uitstekend bij. Waarop dan wel, was me ook na afloop van de reis (heen en terug, met de bus) allerminst duidelijk. De heenreis duurde uiteindelijk vijfenhalf uur, de terugreis om een onverklaarbare reden nog een uur langer, waarna zo’n honderd uitgeputte, dorstige passagiers – als muilezels volgeladen - opnieuw de bus uit klauterden.
Tshegofatso Stewart is 28 jaar, en op weg naar haar man in Francistown. ‘Mijn man is beroepsmilitair, ikzelf werk voor de personeelsdienst van het ziekenhuis in Gaborone. Onlangs ben ik naar de hoofdstad overgeplaatst. Tot ook mijn man naar Gaborone wordt overgeplaatst, zien we elkaar enkel in het weekend. Ik woon tijdens de week met onze dochter in Gaborone, en in het weekend komt hij naar ons toe, of ga ik hem opzoeken in Francistown.’
Samen apart leven is zwaar, geeft Tshegofatso toe, maar het werk vereist dat nu eenmaal tijdelijk: ‘We mogen al blij zijn met tweeën werk te hebben, in deze tijden kun je als vrouw niet meer enkel op de man rekenen als gezinshoofd.’ Het klinkt als een conversatie die we ook in België konden voeren, vooral wanneer Tshegofatso er nog aan toevoegt: ‘Mijn dochtertje wordt vier, en ze gaat al sinds ze één jaar en acht maanden is naar de kleuterschool. Maar de school is tegenwoordig steeds vroeger uit! In het ziekenhuis klok ik pas uit om halfvijf ’s middags, daarom moet ik wel een kinderoppas in huis nemen.’ In Afrika is het leven van jonge werkende moeders niet zo gek anders.
Terwijl we praten, speelt zich in de bus een veelvoud aan activiteiten af. Bij elke pauze die de bus neemt, stormen informele straatverkopers luid joelend, schreeuwend en dansend de smalle gang van de volgepakte, hete bus binnen om koele drankjes, chips, bananen, pindanootjes en rozijnen, maar ook lunchpakketten met gefrituurde kip en frietjes uit de nabije snackbar ‘Hungry Lion’, en zelfs herlaadkaarten voor de gsm, te verkopen. En zo rijdt de bus verder, als een Afrikaanse markt op wieltjes, met op de achtergrond de luide muziek van een Afrikaanse cassette die al voor de zesde achtereenvolgende maal wordt afgespeeld.
Het gesprek dat de passagiers achter ons voeren, is minder vrijblijvend dan een babbel over werk en kinderopvang. ‘Lees deze folder eens, als jij dacht dat je al wist wie deze wereld zal redden, jongen’, fluistert een oudere vrouw op een dwingende toon de tiener-met-coole-pet toe, die achteloos de foldertjes van de Getuigen van Jehova in ontvangst neemt. Mevrouw besteedt rustig een paar uur aan haar uitleg – Francistown is tenslotte nog lang niet in zicht. Al die tijd knikt de jongen zachtjes, en leest hij gedwee en in stilte wat zijn oudere buurvrouw hem heeft opgedragen.
De tiener is zeker niet de jongste passagier. Ook de babypopulatie is vandaag in deze bus prima vertegenwoordigd. De baby’s zijn de rustigste passagiers – ze soezen dromerig in de lendendoek waarin hun moeder hen op haar rug heeft gewikkeld. Of misschien vinden ze het in deze hitte de moeite niet om nog wat drukte toe te voegen aan het spektakel van de rumoerige straatverkopers.
Behalve een snackbar, een markt en een plek waar gepredikt wordt, is deze bus dus ook een babycrèche. Telkens wanneer een nieuwe moeder met baby de bus opstapt, geeft ze haar kindje tijdelijk even uit handen aan een welwillende passagier op een van de eerste rijen, terwijl ze zelf naar een zitplaats zoekt en haar bagage stapelt.
Voor de enige blanke passagier op de bus wordt daarbij geen enkele uitzondering gemaakt: niemand kijkt vreemd op wanneer ook ik enkele baby’s en kleine kinderen op de schoot neem/krijg.
Enkele keren verloopt dat zonder veel problemen, maar het laatste kindje – een vijfjarig meisje – wordt onwel op de bus. Dat ze ziek is geworden, besef ik pas wanneer ik een natte plek op mijn witte broek voel groter worden, en even later de vrouwen op de eerste rij mijn broek te lijf zie gaan met gulle vellen in flesjeswater gedrenkt wc-papier, aangevuld met een flinke dosis marseille-zeep.
Een ongelukje is vlug gebeurd. Maar de warme, vrouwelijke solidariteit die erop volgt, maakt veel goed.
De Standaard, 04-03-2010_ Ine Roox



<< Terug
Partners  
This text is replaced by the Flash movie.